ONDERZOEK NAAR HET HULPWERKWOORD OP IN NGT

Richard Cokart heeft dit onderzoek gepresenteerd op de 12th Theoretical Issues Conference in Melbourne (4-7 januari 2016) en heeft daarvoor de prijs voor beste presentatie jonge onderzoeker gewonnen.

In NGT bestaat het hulpwerkwoord wat als OP wordt geglost. In het NGT bestaan er verschillende soorten werkwoorden, maar voor dit onderzoek ligt de focus op twee verschillende werkwoordsvormen: directionele en niet-directionele werkwoorden.
In gebarentalen worden locaties in de gebarenruimte gebruikt om te verwijzen naar referenten. Directionele werkwoorden kunnen gecongrueerd worden door middel van beweging van een locatie van één referent naar een locatie van een andere referent, een voorbeeld is het gebaar GEVEN  dat van locatie 1 naar locatie 2 beweegt waarmee duidelijk gemaakt wordt wat het subject en wat het object is. Op die manier kan GEVEN ook toegepast worden locatie 2 naar locatie 3, enzovoorts. Een andere manier van congrueren is door een kleine beweging vanuit de pols te maken waardoor de oriëntatie van de palm en vingers aangeeft wat de referent van subject en object is, een voorbeeld is het gebaar ROEPEN.

Niet-directionele werkwoorden zoals LUISTEREN  en HOUDEN-VAN kunnen geen gebruik maken van de bovengenoemde strategieën om subject of object aan te duiden. De reden waarom ze niet kunnen congrueren met locaties in de gebarenruimte is omdat deze werkwoorden lichaamsgebonden zijn. In dit geval kan de subject-object relatie toch uitgedrukt worden door middel van een hulpwerkwoord dat we OP noemen.
OP wordt gemaakt door INDEX  te bewegen van de ene naar de andere locatie met een boog terwijl de orale component “op” tegelijk gearticuleerd wordt.

Het is het Nederlands Gebarencentrum opgevallen dat het gebruik van OP toeneemt vooral onder tolken NGT en Dove jongeren. Naar aanleiding hiervan is het Nederlands Gebarencentrum een  onderzoek gestart onder verschillende groepen tolken en dove NGT gebruikers. Dit onderzoek is uitgevoerd door Richard Cokart in het kader van zijn MA scriptie bij de UvA.

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat er een onderscheid gemaakt kan worden in het gebruik van het hulpwerkwoord OP tussen tolken die al een tijd werken als tolk NGT en pas afgestudeerde tolken NGT. De pas afgestudeerde tolken maken inderdaad veel meer gebruik van OP dan de ervaren tolken.
De resultaten van de groep Doven laten zien dat de oudere Doven bijna geen gebruik maken van het hulpwerkwoord op terwijl de jongere Doven vaker gebruik maken van het hulpwerkwoord op. De oudere Doven gebruiken vooral rolnemen als de manier van congrueren. Rolnemen is één van de technieken die gebruikt wordt in gebarentalen om de congruentie aan te duiden. Uit de resultaten is ook gebleken dat het hulpwerkwoord OP niet de enige manier is van congruentie onder de Dove jongeren. Dubbele congruentie komt vaak voor bij Dove jongeren, wat betekent dat er twee congruentie strategieën worden gecombineerd, in dit geval rolnemen en het gebruik van OP.

Het onderzoek heeft ook aangetoond dat er verschillende vormen van congruentie zijn binnen NGT: rolnemen, het hulpwerkwoord OP met orale component “op”, het hulpwerkwoord OP zonder een orale component en het gebruik van INDEX. Dit onderzoek toont aan dat het van belang is om deze vier verschillende vormen van congruentie te implementeren in het NGT onderwijs.
Meer informatie over het onderzoek is te vinden in de MA scriptie (augustus 2013) van Richard Cokart.